Een afval die door canons in stand wordt gehouden

 

    Over het algemeen wordt op zowel universiteiten alsook op middelbare scholen en in huiskamers, bedrijfskantines, kranten, tijdschriften en andere media, filosofie bedreven aan de hand van vaststaande denkers en standaardwerken.  In tegenstelling tot wat je zou denken op basis van bestaande studieonderdelen die samen een opleiding vormen en in samenspraak met het aanbod in de gemiddelde boekhandel, wordt er in zowel Noord-Amerika alsook in West-Europa nagedacht over een vernieuwde verscheidenheid die in de filosofiecanon moet worden aangebracht, een hoognodige update die meer inzicht geeft in de enorme rijkdom aan hedendaagse denkers en denkrichtingen wereldwijd.  

 

   De canon van het protestantse christendom omvat zowel de gewoonlijke 39 boeken die binnen het Jodendom als canon worden beschouwd - de zogenaamde Hebreeuwse Bijbel, ook wel Tenach en binnen het christendom het 'Oude Testament' genoemd - als ook de gewone 27 boeken van het Nieuwe Testament.

 

    In 1976 gaf president Kimball opdracht om twee openbaringen, een aan de profeet Joseph Smith en een aan president Joseph F. Smith, toe te voegen aan de Schriftuurlijke canon (zie L&V 137 en 138) van 'De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.' Onder toezicht van president Kimball werd in 1979 een eigen uitgave van de King Jamesvertaling van de Bijbel uitgegeven. In 1981 werd een nieuwe uitgave van de Engelstalige tripelcombinatie (die de Engelstalige edities van het Boek van Mormon, de Leer en Verbonden en de Parel van grote waarde bevatte) gepubliceerd.

 

    Ouderling Boyd K. Packer heeft over de totstandkoming van deze edities van de standaardwerken gezegd: "De komende generaties zullen we dit in het historisch perspectief beschouwen als de kroon op de prestaties van president Spencer W. Kimball gedurende zijn ambtstermijn." (1) Daarna is er niets meer aan onze canon aangebracht.

 

    Wij, de leden van de genoemde kerk, lijken de standaardwerken als te vanzelfsprekend te ervaren omdat we niet helemaal begrijpen hoe bijzonder het is dat we ze hebben en hoe gezegend we daarmee zijn. We lijken zo gewend te zijn aan onze ervaringen in deze wereld en aan het evangelieonderricht onder ons dat we ons moeilijk kunnen voorstellen dat het ooit anders is geweest.

 

     Maar ik zie in, dat het nog niet zo lang geleden is dat de wereld uit de lange nacht van het geestelijke duister kwam die we de grote afval noemen, een afval die door de eerste twee canons in stand wordt gehouden. Daardoor voel ik iets van de grote geestelijke duisternis die heerste voor die grote dag in het voorjaar van 1820, waarop de Vader en de Zoon aan de profeet Joseph Smith verschenen.

 

     Die duisternis was voorzien door de profeet Nephi die hem beschreef als "die verschrikkelijke toestand van verblindheid" waarin de mens het evangelie werd onthouden. (Zie 1 Nephi 13:32.) Het visioen van de verschijning was het begin van de herstelling van de kerk van Jezus Christus op aarde alsook het begin van de herstelling van het evangelie.

  

    In verhouding hoe ik mij nu voel, heb ik mij tot mijn vijfenvijftigste jaar in een grote woestijn gevoeld waar ik geen oriëntatiepunt kon vinden, ja, in het diepe duister van een grot waar geen licht was om mij de uitweg te tonen. Gelukkig is dat met de 'heiligen der laatste dagen' canon helemaal goed gekomen. En dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.

 

(1. Zie Leringen van Kerkpresidenten, Spencer W. Kimball, blz. XXXIII-XXXIV.)