De telestiale wereld

 

    Over hen die een zekere mate van zaligheid waardig zijn, doch echter gefaald hebben de hogere zegeningen en voorrechten van het eeuwige celestiale leven te bereiken, welke voorrechten het voortbestaan van de familieband door de verzegelende tempelverordeningen, bediend onder volmacht van het heilig priesterschap, in zich sluiten welk priesterschap men zich kan verwerven door persoonlijk streven onder de wetten en verordeningen van het herstelde evangelie van Jezus Christus, heeft de Heer in deze bedeling gesproken, zeggende: "Daarom, wanneer zij uit de wereld zijn, huwen zij niet, noch worden zij ten huwelijk gegeven, maar zij worden aangewezen als engelen in de hemel, welke engelen dienende wezens zijn, om hen te dienen die een veel grotere en een alles te boven gaande en een eeuwige mate van heerlijkheid waardig zijn. Want deze engelen hielden zich niet aan mijn wet; daarom kunnen zij geen nakomelingen hebben, maar blijven in hun geredde toestand in alle eeuwigheid op zichzelf en ongehuwd, zonder verhoging; en het zijn voortaan geen goden, maar engelen van God tot in alle eeuwigheid." (L&V 132: 16-17.)

 

     De vooruitgang in de eeuwigheid moet langs bepaalde lijnen gaan, en aldus kunnen de erfgenamen van een zekere orde of koninkrijk van glorie altijd vooruitgang maken zonder de bijzondere verheerlijking te ontvangen, die tot een ander koninkrijk of een andere orde behoort. Omtrent degenen, die tot het telestiale of laagste koninkrijk van glorie zullen behoren, lezen wij: "Maar zie, ja, zie, wij zagen de heerlijkheid en de bewoners van de telestiale wereld, dat zij even ontelbaar waren als de sterren aan het uitspansel des hemels, of als het zand aan de oever der zee; en wij hoorden de stem des Heren, zeggende: Al dezen zullen de knie buigen en iedere tong zal belijden aan Hem die voor eeuwig en altijd op de troon gezeten is; want zij zullen geoordeeld worden naar hun werken, en ieder mens zal, naar zijn eigen werken zijn eigen heerschappij ontvangen, in de woningen die zijn bereid; en zij zullen dienstknechten van de Allerhoogste zijn; maar waar God en Christus wonen, kunnen zij niet komen, van eeuwigheid tot eeuwigheid." (L&V 76: 109-112.) (J. E. Talmage, Ster 15 augustus 1927, Blz. C7-8/S248.)

  

   "En wie niet in staat is zich aan de wet van een telestiaal koninkrijk te houden, kan geen telestiale heerlijkheid verdragen; daarom is hij niet geschikt voor een koninkrijk van heerlijkheid. Daarom moet hij zich schikken naar een koninkrijk dat geen koninkrijk van heerlijkheid is. En ook wie levend worden gemaakt door een gedeelte der telestiale heerlijkheid, zullen dan daarvan ontvangen, ja, een volheid. En ieder koninkrijk is een wet gegeven; en aan iedere wet zijn ook bepaalde grenzen en voorwaarden gesteld. Alle schepsels die zich niet aan die voorwaarden houden, zijn niet gerechtvaardigd. Want intelligentie  hecht zich aan intelligentie; wijsheid ontvangt wijsheid; waarheid omhelst waarheid; deugd bemint deugd; licht hecht zich aan licht; barmhartigheid ontfermt zich over barmhartigheid en maakt aanspraak op het hare; gerechtigheid vervolgt haar baan en maakt aanspraak op het hare; recht gaat uit voor het aangezicht van Hem die op de troon zit en alle dingen bestuurt en verricht." (L&V 88:24; 31; 38-40.) De telstiale wereld is te vergelijken met de wereld waar wij thans in leven en dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.