Maria Magdalena

 

    Zaterdag, de Joodse Sabbat, was voorbij en de nacht, die aan het aanbreken van de gedenkwaardige zondag in de geschiedenis vooraf ging, liep weldra ten einde, terwijl de Romeinse wacht het verzegelde graf bewaakte, waarin het lichaam van de Here Jezus lag. Toen het nog donker was, begon de aarde te beven en een engel des Heren daalde in heerlijkheid neder, wentelde de zware steen van de ingang van de tombe weg en zette zich daarop neer. Zijn gelaat was gelijk het weerlicht en zijn kleed als versgevallen sneeuw. De soldaten, door vrees verlamd, vielen ter aarde alsof zij dood waren. Toen zij gedeeltelijk van de schrik bekomen waren, vluchtten zij vol vrees van de plaats weg. Zelfs de strengheid van de Romeinse discipline, die op staande voet de dood eiste van iedere soldaat die zijn post verliet, kon hen niet weerhouden. Er was bovendien niets te bewaken overgebleven, want het zegel was verbroken en  het graf was open en leeg. (1)

 

    Maria Magdalena was een van de dierbaarste vriendinnen die Jezus onder vrouwen had; haar toewijding jegens Hem als haar Heelmeester en als Degenen die zij als de Christus aanbad, was onwankelbaar. Zij stond vlak bij het kruis, terwijl andere vrouwen op een afstand bleven, toen Hij in doodsstrijd was; zij was een van de eerste bij het graf in de morgen van de opstanding en zij was de eerste sterveling die een opgestaan Wezen zag en herkende: De Heer, Die zij in haar vurige aanbidding zo liefhad.

 

    Hoeveel gebeurt er niet rond de dood, begrafenis en opstanding van onze Heer, dat bedoeld is om gelovige vrouwen de loftrompet te steken? Ze weende bij het kruis, wilde zijn gewonde en levenloze lichaam verzorgen en kwamen naar zijn graf om te wenen en hun Vriend en Meester te aanbidden. Het is dan ook niet vreemd dat we zien hoe Maria Magdalena, werd uitgekozen uit al die discipelen, onder wie ook de apostelen, om als eerste sterveling een opgestaan wezen te mogen aanschouwen en in zijn tegenwoordigheid neder te knielen, zij die zoveel genezen was en zoveel liefde bezat zag de verrezen Christus! (2)

 

    Men zal zich afvagen waarom Jezus Maria van Magdalena had verboden Hem aan te raken en dat Hij zo spoedig daarna andere vrouwen had toegestaan Zijn voeten te grijpen, toen zij zich eerbiedig neerbogen. Ik neem aan dat Maria's emotionele benadering meer was ingegeven door een gevoel van persoonlijke doch heilige liefde dan door een impuls van devote aanbidding die de andere vrouwen had bewogen. Ofschoon de herrezen Christus de zelfde vriendelijke en innige achting koesterde zoals Hij die in de sterfelijke staat jegens hen had getoond met wie Hij nou verbonden was geweest, was Hij toch in letterlijke zin niet meer een van hun. Er straalde een goddelijke waardigheid van Hem uit, die grote persoonlijke gemeenzaamheid niet toestond.

 

     Tegen Maria Magdalena had Christus gezegd: "Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren naar Mijn Vader." Het schijnt redelijk en waarschijnlijk dat tussen Maria's impulsieve poging de Heer aan te raken en de handelingen van de andere vrouwen die Zijn voeten vastgrepen, terwijl zij zich in aanbiddingsvolle eerbied neerbogen, Christus naar de Vader was opgevaren geweest en dat Hij later naar de aarde terugkeerde om Zijn zending in de herrezen staat voort te zetten. (3) En dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.

 

(1. Zie Matteüs 28:1-4; zie ook vers 11.)

 

(2. Zie McConkie, DNTC, deel 1, blz. 843.)

 

(3. Zie Talmage, JdC, blz. 498, 499.)