Onze aanspraak op een graad van zaligheid niet verliezen

 

    Verbetering, vooruitgang, vordering, hier en hiernamaals zijn grondbeginselen van het Goddelijk plan ten opzichte van de zielen der mensen. Het aardse leven met zijn verschillende ervaringen van vreugde en verdriet, van welslagen en mislukking, van verzoeking en weerstand daartegen, al het bittere en het zoete van het sterfelijk bestaan kunnen in de toekomst ten goede komen in de ontwikkeling van de persoonlijke ziel.

 

     Wij beschouwen het als redelijk, Schriftuurlijk en waar, dat een voortgang om rechtvaardig te handelen en een sterker wordende macht om goed te doen kenmerken zijn van het toekomstig leven, zowel in het geestenrijk als in en na de opstanding uit de dood. De bekwaamheid om in de eeuwigheid vooruitgang te maken, hangt in hoge mate af van de grondigheid van onze opvoeding in de sterfelijkheid. Wij zullen ontdekken dat onze toestand in het hiernamaals in de eerste plaats afhankelijk is van de deugden en gebreken uit ons aardse leven; en evenals in deze wereld zal ook daar de bekerende mogelijkheden verschillend zijn.

 

     Opzettelijke verwaarlozing hier, kan daar zowel het verlies van de bekwaamheid als de gelegenheid veroorzaken. Vandaar dat, hoewel door Gods genade het evangelie in de geestenwereld wordt gepredikt en in de plaatsvervangende bediening van noodzakelijke en zaligmakende verordeningen is voorzien, opdat de bekeerde doden "mogen worden geoordeeld naar de mens in het vlees, doch leven naar God in de Geest", toch nog ontlichaamde geesten onbekwaam kunnen zijn om zich te bekeren en zelfs niet gekozen kunnen worden om de zegeningen van de doop, die om hunnentwil op aarde is bediend, te ontvangen, totdat zij in het rijk der geesten de allereerste lessen hebben geleerd, waarvan zij onwetend waren of die zij veronachtzaamd of verworpen hadden toen zij nog op aarde waren.

 

    Hierover zegt de profeet Alma: "En wij zien dat de dood over het mensdom komt, ja, de dood waarover Amulek heeft gesproken, die de stoffelijke dood is; niettemin werd de mens een tijdspanne toegestaan waarin hij zich kon bekeren; zo werd dit leven een proefstaat, een tijd om zich voor te bereiden om God te ontmoeten, een tijd om zich voor te bereiden op die eindeloze staat waarover wij hebben gesproken, die volgt op de opstanding der doden. " (Alma 12: 24.)

 

     "Want zie, dit leven is de tijd voor de mens om zich erop voor te bereiden God te ontmoeten; ja, zie, de dag van dit leven is de dag voor de mens om zijn arbeid te verrichten. En nu, zoals ik u reeds heb gezegd, daar gij zovele getuigenissen hebt ontvangen, smeek ik u dus de dag van uw bekering niet tot het einde uit te stellen; want na de dag van dit leven — die ons is gegeven om ons op de eeuwigheid voor te bereiden — zie, indien wij onze tijd in dit leven niet nuttig besteden, dan komt de nacht van duisternis, waarin geen arbeid kan worden verricht." (Alma 34: 32-33.)

 

     Een graad van zaligheid zal iedere ziel verkrijgen, die niet alle aanspraak hierop verloren heeft. Maar de Zaligheid als een staat van vooruitgang, die voor allen is bestemd, die niet zo gezondigd hebben, dat zij de vreselijke straf van de tweede dood hebben verdiend, wordt verre overtroffen door de Verheerlijking, welke voor de kloekmoedige en rechtvaardige is weggelegd. En dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.